1866 - 1888

Grondlegger Egbert Wagenborg met zijn echtgenote Abelina Lukkina Vegter
Grondlegger Egbert Wagenborg met zijn echtgenote Abelina Lukkina Vegter

We schrijven het jaar 1866. Egbert Wagenborg, grondlegger van ons bedrijf, wordt op 10 juni geboren. Als hij tien jaar oud is gaat hij varen aan boord van de 114 tons tjalk “Geertuida”, een schip dat van zijn broer Geert is. Na ongeveer tien jaar wil hij graag een leven als zelfstandig schipper. Scheepsbouwer Niestern zal zijn eerste schip gaan bouwen. In 1888 trouwt Egbert Wagenborg met Abelina Lukkina Vegter. Egbert is dan 22 jaar.

 
 

1889

Een jaar later, in 1889 is de tjalk “Broedertrouw” klaar om te gaan varen. Het schippersgezin, er is ondertussen een dochter geboren, vestigt zich aan boord. Met de “Broedertrouw” maken ze vele reizen o.a. naar Scandinavië. Met turf heen, met hout weer terug.

 
 

1898

In 1898 besluit Egbert voorgoed aan wal te blijven. Het gezin, ondertussen zijn er zes kinderen,  verhuist naar Delfzijl en gaat wonen aan de Nieuweweg. Ondertussen is ook het tweede schip de “Liberté” opgeleverd.  De bedrijfsactiviteiten van “E. Wagenborg scheepsbevrachter Delfzijl” vinden plaats vanuit een café op de hoek Waterstraat – Marktstraat, tegenover de Waterpoort. De werkzaamheden bestaan o.a. uit het aannemen van het lossen van zeeschepen beladen met hout bestemt voor de houtzagerijen in Noord-Nederland, inclusief het transport van het hout naar de houtwerven.

 
 

1901

In 1901 verhuist het gezin naar Nieuwstad waar ook het kantoor gevestigd wordt. Op dat moment is hij werkzaam als bevrachter, handelsman en reder.

 
 

1903

Haven Delfzijl omstreeks 1900
Haven Delfzijl omstreeks 1900

Vervolgens verhuist het gezin in 1903 naar een pand aan de Waterstraat waar ook kantoorruimte is en waar langzaam maar zeker een veelsoortigheid aan bedrijfsactiviteiten wordt ontplooid. Er wordt gehandeld in steenkolen die “direct van het schip worden thuisbezorgd” . Daarnaast schaft Egbert Wagenborg een aantal lichters aan om als drijvende kolenopslag te worden ingezet daar de handel in bunkerkolen zeer groot is. In datzelfde jaar levert de werf Niestern, ondertussen gevestigd in Farmsum, de transport aak “Concurrent” op.

 

In december van het zelfde jaar loopt de stalen één mast tjalk “Concurrent II” van ongeveer 90 ton van stapel bij de firma B. Niestern & Zonen en Egbert Wagenborg schaft de stoomsleepboot “Jo” aan. Delfzijl kende na de eeuwwisseling een grote vloot sleepboten. Ze assisteerden grote zeeschepen bij het binnenlopen en verlaten van de haven.  Verder werd Delfzijl een belangrijke invoerhaven voor salpeter dat voornamelijk werd aangevoerd vanuit Chili.

 
 

1908

In 1908 wordt de “Liberté II” opgeleverd, wederom gebouwd door de firma Niestern. Na veel omzwervingen te hebben gemaakt ligt deze tjalk sinds 2009 in het huidige hoofdkantoor aan de Marktstraat te Delfzijl.

 
 

1907 - 1911

Tussen 1900 en 1910 zijn veel Nederlanders werkzaam in de naburige Duitse haven Emden. Er varen passagiersschepen maar dit betreft hoofdzakelijk plezierreizen in de zomer. De noodzaak voor een reguliere passagiersdienst, gedurende het gehele jaar,  is voor Egbert Wagenborg duidelijk.  Er wordt door machinefabriek Van Dam en Gorter uit Uithuizen een riviersleepboot omgebouwd tot passagiersschip die de naam “Anna Meika” krijgt. Op 15 mei 1905 opent de lijndienst voor passagiers- en goederenvervoer tussen Delfzijl en Emden. Tevens vaart de “Anna Meika” vanaf 1907, drie keer per week naar Borkum. Wagenborg’s Passagiersdiensten is een feit. In 1908 wordt naast de “Anna Meika” een echt passagiersschip in de vaart genomen, namelijk het stalen stoompassagiersschip met de  naam “Vooruitgang”. Niet lang hierna wordt de “Anna Meika” onder de naam “Vooruitgang II” weer toegevoegd aan de vloot sleepboten. De “Vooruitgang II” wordt in 1911 verkocht waardoor de naam vrijkomt voor een nieuwe “Voortuitgang II” .

De Vooruitgang II heeft het belangrijke beeldmerk van de rederij bepaalt. Oorspronkelijk heeft dit schip drie witte banden in de zwarte schoorsteen. Nadat één van de banden door roest aangetast op het dek valt, zegt Egbert dat twee banden ook “mooi zat is”. Ook varen de schepen in die tijd onder een eigen rederijvlag. Hierin zijn de Delfzijlse kleuren rood-wit-rood in diagonale vlakken verdeelt. De witte linker en rechter vlakken worden achtereenvolgens gesierd met de letters EW en DZ. Uiteindelijk krijgt de zwarte schoorsteen  met de twee witte banden een plaats in het midden van de vlag.

 
 

1914 - 1918

Stuwadoorsactiviteiten in Delfzijl
Stuwadoorsactiviteiten in Delfzijl

En dan breekt in 1914 de Eerste Wereldoorlog uit. De scheepvaart van en naar zee wordt stopgezet. De Duitsers leggen mijnen in de monding van de Eems en bij het eiland Borkum. Men moet toestemming van de Duitsers hebben om buiten de haven te mogen varen. Tijdens de oorlog krijgt de haven het bijzonder druk met de aanvoer van hout vanaf de Oostzee. De Duitse schepen kunnen niet meer de Noordzee over naar Antwerpen, Rotterdam, Amsterdam en alles wordt voor en van Nederland, België en Zuid-Duitsland over Delfzijl verscheept. Een nieuwe bedrijfsactiviteit wordt gestart in maart 1917: de N.V. Stuwadoorsmaatschappij wordt opgericht. Het doel van de oprichting: “Het doen laden, lossen, ontvangen en wat daar verder mee verband houdt, van goederen, te vervoeren of aangebracht door stoom- en andere zeeschepen, welke van/of naar zeezijde geklareerd worden in de havens van Delfzijl.

Met het uitbreken van de oorlog worden de passagiersdiensten op Borkum en Norderney beëindigd. Egbert Wagenborg wordt benaderd door een aantal zakenlieden uit Groningen met het verzoek de veerdienst tussen Groningen en Schiermonnikoog te gaan onderhouden nu de veerboot de “Thea Lotte”, eigendom van de Duitse graaf Von Bernstorff, is uitgevallen. Hij kan aan dit verzoek voldoen nu de “Vooruitgang II” door het uitvallen van de Emdendienst vacant is. Helaas kan de Vooruitgang II niet het gehele traject varen daar de sluis bij Zoutkamp enige centimeters te smal is voor de veerboot. Dit lost Egbert op door het schip de “Koningin Wilhelmina” het eerste traject te laten varen. Vervolgens wacht de “Vooruitgang II” buiten de sluis.  Het em- en debarkeren op Schiermonnikoog verliep omslachtig en primitief. Op het eiland was geen steiger... De schepen moesten daarom bij het eiland voor anker waarna de opvarenden overstapten op landingsboten. Deze boten voeren tot dicht aan de wal waar paard en wagen langszij kwamen die de passagiers aan en van boord brachten.

Embarkeren vanaf de veerboot
Embarkeren vanaf de veerboot
 
 

1921

In 1921 worden de veerdienstactiviteiten door Wagenborg uitgebreid in Westelijke richting, naar Ameland.

 

Op 27 mei 1921 koopt Egbert Wagenborg “een woonhuis met eigen erf en tuin op de Nieuwstad in Farmsum”, de kantoorwoning aan de Waterstraat wordt betrokken door zoon Petrus Wagenborg en zijn vrouw Aaltje Wagenborg-Veenstra. Er worden twee kinderen geboren, Egbert en Albert. In 1923 slaat het noodlot toe, Petrus sterft aan de gevolgen van tuberculose. Schoonvader Egbert vindt een oplossing voor zijn schoondochter Aaltje. Ze wordt controleuse bij het bad op Schiermonnikoog en is zo werkzaam voor de N.V. Mij. Tot Exploitatie van Noordzeebaden en Wagenborg’s Passagiersdiensten. Het gezin verhuist naar Schier. Rond die tijd wordt oom Geert Wagenborg ook werkzaam in het bedrijf. Hij neemt het passagiersvervoer voor zijn rekening en gaat moderniseren.

Dienstregeling veerdienten 1922
Dienstregeling veerdienten 1922
 
 

1924

In de jaren twintig besluit het bedrijf Wagenborg langere zeereizen te gaan maken. Op 5 februari 1924 vindt de eerste zeebevrachting plaats:  een lading dakpannen met het schip “de Weldaad” van schipper Daniël Pot. Vanaf dit moment neemt het aantal bevrachtingen jaarlijks toe.

 
 

1925 - 1927

Eerste motorschip 'Fivel'
Eerste motorschip 'Fivel'

Op directieniveau vindt in 1925 een wisseling van de wacht plaats. Zoon Geert Wagenborg en schoonzoon Lourens Vuursteen treden aan. Het bedrijf floreert onder de nieuwe directie. Het aantal scheepsbevrachtingen stijgt en door de komst van motoren in zeilschepen kan meer op schema worden gevaren. Het kost veel tijd om zelf op zoek te gaan naar vracht. Het antwoord hierop is de vertrouwensmakelaar die de vrachten en walzaken voor de schipper regelt.

 

De zakelijke ambities van Lourens Vuursteen dienen zich aan. In 1927 wordt het eerste motorschip “Fivel” aangekocht.

 
 

1930

Wagenborg groeit verder uit tot een concern bestaande uit diverse N.V.’s waaronder de in 1930 overgenomen Schuitenvaardersvereniging. Het bedrijf Schuitenvaarders is de jongste variant op de eeuwenoude bootdienst tussen Delfzijl en Groningen. Deze werd, in haar oudste vorm, uitgevoerd met een trekschuit, in het Gronings snikke of snik genaamd. De bekendste boot van de Schuitenvaarders is de “Koningin Wilhelmina” die onder de bijnaam “Bruintje Beer” de geschiedenis ingaat. De “snikken” vervoeren een verscheidenheid aan vracht: medicijnen, klinknagels, ankers maar ook levende have bestemt voor de slagers. De overname levert een historisch attribuut op: de vertrekbel van de snikdienst Delfzijl-Groningen, daterend uit 1653. De bel hangt nu in de hal van het hoofdkantoor in Delfzijl.  Door de opkomst van andere vormen van personen- en vrachtvervoer maakt dat de belangstelling voor het vervoer per boot afneemt.  Rond 1960 wordt het schip afgestoten.

 
 

1932

In oktober 1932 wordt in de stad Groningen een bijkantoor geopend. Het kantoor dient voor “het bevrachten en klareren van scheepen, het expediteren van ladingen en wat daarmee in verband staat”.

 
 

1934

In 1934 vindt er wederom uitbreiding van de activiteiten plaats en wordt Cartonexport N.V. opgericht waarmee het vervoer van strokarton naar Engeland wordt gedaan. Doordat de kustvaarders in staat zijn ver landinwaarts, op kanalen, rivieren of zijrivieren te laden en te lossen, als het ware aan de voordeur van de fabrieken, blijken ze geduchte concurrentie voor de grote vaart die tot dat moment het vervoer verzorgt.

 
 

1936 - 1939

Hotel De Beurs voordat Wagenborg haar hoofdkantoor hier vestigt
Hotel De Beurs voordat Wagenborg haar hoofdkantoor hier vestigt

Ondanks de economische recessie breidt het bedrijf verder uit. In 1936 wordt kantoor Amsterdam geopend en in 1939 opent kantoor Rotterdam haar deuren. Het in 1932 geopende kantoor in Groningen is in 1937 alweer te klein. Er wordt besloten een perceel te kopen  “aan het Voormalig Klein Poortje en op den hoek van het Binnendamsterdiep” en een nieuw kantoor te bouwen.

 

Daarnaast wordt in 1939 intrede gedaan in een nieuw pand aan de Marktstraat in Delfzijl. In dit pand zat Hotel De Beurs dat volgens een krantenartikel tijdens een boeldag publiek wordt verkocht. Na de boeldag werd plaats gemaakt voor het nieuwe kantoor van Wagenborg, waar het hoofdkantoor vandaag de dag nog steeds is gevestigd.
 

In 1938 en 1940 wordt de vloot uitgebreid met de sleepboten “Golfbreker” en “Woelwater” van 150 pk.  Beide schepen zijn gebouwd door scheepswerf Bijlsma in Wartena.

Sleepboot Golfbreker
Sleepboot Golfbreker
 
 

1940 - 1945

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in mei 1940 heeft grote gevolgen voor de transportlijnen over zee. Weinig reders voelen er voor om op in oorlog zijnde landen te varen, bovendien is er gevaar voor mijnen. Na verloop van tijd normaliseert de situatie enigszins. Groninger motorschepen onderhouden wederom een geregelde vaart van de Oostzee naar Delfzijl. Lading bestaat uit gezaagd hout. Delfzijl wordt een populaire transito haven. De eerste jaren is er een druk scheepvaartverkeer. De werkzaamheden in de kantoren Rotterdam en Amsterdam lopen terug. Uiteindelijk wordt besloten genoemde kantoren te sluiten.

In de jaren veertig wordt, op de plaats waar tot dat moment hotel-restaurant “De Beurs” gevestigd is, een nieuw scheepvaartkantoor gebouwd. Op het dak wordt een uitkijkpost geplaatst. Dit heeft tot doel de waterklerken in staat te stellen om de op de Eems varende scheepvaart op grote afstand te signaleren. Bij binnenkomst is het laden en lossen administratief dan al geregeld. Het kantoor is ontworpen door de Groningse architect J. Beckering Vinckers en het beeld van een grotendeels naakt vrouwenfiguur (symbool van de zee)boven de ingang is van de hand van  kunstenaar Willem Valk. Tijdens de sobere opening van het kantoor biedt het personeel de directie een schilderij aan van de nieuwste aanwinst, de coaster “Favoriet”.

De kustvaart wordt in de oorlog sterk gereglementeerd en gecontroleerd. Men wordt geconfronteerd met vorderingen wat betekent dat de Duitsers schepen aan de eigenaren ontnemen om vervolgens in te zetten voor eigen doeleinden. Soms worden de schepen verbouwt om ingezet te worden voor militaire doeleinden. Het schip “Favoriet”, gebouwd door scheepswerf Sander te Delfzijl, wordt in 1941 door de Duitsers gevorderd om vervolgens in april 1942 te vergaan bij Saint Malo.

Het nieuwe kantoor aan de Marktstraat is nog maar nauwelijks ingewerkt als het pand in augustus 1942 door de Duitsers wordt ingevorderd. Het gebouw wordt gebruikt als hospitaal.

Het schip “Hollandia”, zo werd na de oorlog bekend, speelt een grote rol in het verzet.  Het schip, met kapitein Roossien aan het roer, wordt ingezet door de verzetsgroep Zwaantje om via een ontsnappingsweg over zee het neutrale Zweden te bereiken. Aan boord kunnen makkelijk mensen worden verstopt. Op de terugreis neemt het schip zenders voor de illegaliteit mee. De verzetsgroep wordt uiteindelijk verraden.

Na de bevrijding worden kantoren en woningen schoongemaakt, gaan diverse eigenaren in heel Europa op zoek naar de schepen die de Duitsers hadden gevorderd en worden buitenlandse relaties weer aangeknoopt.

 
 

1948

In 1948 viert Wagenborg haar vijftig jarig bestaan. Er vindt een bescheiden viering plaats.

 
 

1950 - 1952

De jaren vijftig luiden een periode in waarin Wagenborg zich gaat profileren als reder. Met de schepen “Eemshorn”, “Hollandia” en de “Friesland” worden de rederij-activiteiten weer gestart. In de rij van vroeg vijftigers neemt de “Egbert Wagenborg” een bijzondere plaats in. Ze draagt de naam van de oprichter en heeft de brug midscheeps. Ze vervoert ‘s zomers hout en zout op de Noord- en Oostzee, ’s winters vaak met dozen waspoeder van Whitehaven naar Genua.

De 'Egbert Wagenborg'
De 'Egbert Wagenborg'
 
 

1956

Sleepboot 'Watergeus' in actie
Sleepboot 'Watergeus' in actie

Tevens wordt er in de jaren vijftig meer vorm gegeven aan de sleepdienstactiviteiten. Naast de “Woelwater” en de “Golfbreker” wordt in 1956 de sleepboot “Watergeus” aan de vloot toegevoegd.

 
 

1953 - 1958

Nu er een eigen Wagenborg kustvaartvloot begint te groeien en de inspiratie voor het bedenken van scheepsnamen daalt, ontstaat de behoefte om een systematiek in de scheepsnamen aan te brengen. Men besluit de schepen naar rivieren te gaan vernoemen en die naam te verlengen met het achtervoegsel “borg”. Dit besluit wordt genomen in 1953.

De “Kroonborg” is op dit moment de grootste kustvaarder van Nederland. Gebouwd in 1954 bij scheepswerf Niestern. Het schip heeft 1025 ton draagvermogen en is uitgerust met een 1200 pk dieselmotor, merk Industrie. De brug zit midscheeps.  Door insiders wordt het de mooiste kustvaarder genoemd die ze kennen.

Kroonborg
Kroonborg
Balticborg
Balticborg

Wagenborg heeft in de jaren vijftig een aanzienlijke vloot van 500-tonners. De heer Wim Vuursteen is nauw betrokken bij de voorstudies en de bouw van de schepen. Zo komen onder meer de algemene plannen van de karakteristieke Wagenborg schepen “Kroonborg”, “Oranjeborg”, “Nassauborg”, “Prinsenborg”, “Balticborg”, “Bothniaborg” en die van de nieuwe havensleepboten van zijn tekentafel.

Bij scheepswerf “Welgelegen” van C. Amels en zoon te Makkum wordt gewerkt aan het eerste grotevaartschip voor Wagenborg, de “Balticborg”. Ook is dit het grootste schip dat ooit in ons land dwarsscheeps te water wordt gelaten. De bemanning bedroeg maar liefst tweeëntwintig man.

 
 

1959

Merweborg
Merweborg

In 1957 begint zich een recessie op de vrachtenmarkt af te tekenen. In hetzelfde jaar wordt door Wagenborg nog een aantal schepen in de vaart gebracht. Aan het eind van de jaren vijftig, begin jaren zestig, is er sprake van een groot aantal verkopen van Nederlandse coasters naar het buitenland. Wagenborg speelt goed in op de ontstane situatie en gaat moderniseren op gebied van de organisatie en investeert in de vloot. De directie geeft in 1959 opdracht voor de bouw van zes 500 tonners en een tweede grotevaartschip de “Bothniaborg”.

 

De “Merweborg” die in 1959 door Apol in Appingedam wordt opgeleverd schrijft een belangrijk stuk geschiedenis.  In 1951 wordt bij Winschoten een immense laag steenzout ontdekt. De aanwezigheid van deze grondstof brengt de Koninklijke Nederlandse Sodaindustrie naar Delfzijl. Na de opening in 1958 ging de zout- en sodaproductie officieel van start. Op 1 april 1959 wordt de eerste lading zout, door de “Merweborg” verladen over zee.

 
 

1960

Op 13 november 1959 word geconstateerd dat het passagiersvervoer een grote vlucht neemt. Er wordt besloten een passagiersschip te laten bouwen bij Scheepswerf Appingedam N.V. en zal geschikt zijn voor het vervoeren van 750 personen. Het schip krijgt de naam “Rottum” en wordt op 25 mei 1960 te water gelaten.

 
 

1960 - 1969

In de jaren zestig wordt de Wagenborg vloot verder uitgebreid en worden o.a. de volgende nieuwbouwschepen afgeleverd: “Lingeborg”, “Berkelborg”, “Bothniaborg”, “Schieborg”, “Delfborg”, “Hunzeborg” en “Vechtborg” die het aantal schepen op vierentwintig brengt die gezamenlijk 17.700 ton dwt en 12.000 pk motorvermogen vertegenwoordigen.

Lingeborg
Lingeborg
Schieborg
Schieborg
Hunzeborg
Hunzeborg
Vechtborg
Vechtborg
 
 

1966

In 1966 wordt een begin gemaakt met het verjongen van de vloot. Het schip “Egbert Wagenborg” wordt afgestoten tegelijkertijd worden de zusterschepen “Geulborg” en “Roerborg” besteld. De “Geulborg” wordt gebouwd bij Scheepsbouw- en reparatiewerf Gebt. Sander N.V. te Delfzijl voor het tweede schip wordt gekozen voor N.V. Scheepswerf Appingedam. Met het in de vaart brengen van deze schepen wordt een intensieve nieuwbouwperiode afgesloten. Deze schepen worden ingezet op de zogeheten Black & Whiteline. Initiatiefnemer van de Black & Whiteline is Egbert (Bert) Wagenborg, zoon van oud-directeur Geert Wagenborg. De Black & Whiteline bestaat uit een aantal aparte contracten. Enerzijds het vervoeren van steenkool naar Engeland en met als retourvracht wit china-clay naar Maastricht.

Geulborg
Geulborg
Roerborg
Roerborg

In 1966 bestaat de directie uit Wim Vuursteen, Koop Wagenborg (zoon van aandeelhouder Petrus), Egbert Wagenborg (zoon van directeur Geert) en Egbert L. Vuursteen. De taakverdeling is als volgt: de heren Wim Vuursteen en Egbert L. Vuursteen beheren de rederij, de passagiersdiensten en de sleepdienst. Directeur Koop Wagenborg heeft het stuwadoorswerk onder zijn hoede en de terminal die in 1970 wordt aangekocht. Bert Wagenborg is directeur bevrachting en legt zich in toenemende mate toe op acquisitie en relatiebeheer.

 
 

1967

In de vergadering van aandeelhouders, die gehouden wordt op 28 juni 1967, neemt Geert Wagenborg afscheid als directeur van de zelfstandige N.V. E. Wagenborg’s Scheepvaart en Expeditiebedrijf.

Kantoor Wagenborg anno 1967
Kantoor Wagenborg anno 1967
 
 

1968

Markborg
Markborg
Prinsenborg
Prinsenborg
Nassauborg
Nassauborg
Kroonborg en Oranjeborg
Kroonborg en Oranjeborg

In 1968 doet de houtpakketvaart haar intrede. De houtladingen worden niet meer plank voor plank in het ruim gestuwd maar al in de zagerijen tot pakketten samengesteld. Bestaande schepen moeten worden aangepast op de nieuwe ladingsmethode. Wagenborg laat de schepen “Markborg”, “Oranjeborg”, “Prinsenborg” en “Nassauborg” verbouwen. De laatste twee schepen worden verlengd met 74,41 meter.

 
 

1969

Ook de ontwikkelingen op het sleepfront staan niet stil. De directie van Wagenborg bestelt twee sleepboten bij Amels in Makkum, ieder uitgerust met een 750 pk Kromhoutmotor. Het schip krijgt de naam “Waterpoort”. In 1969 komt hier nog de “Waterman” bij.

Sleepboot Waterpoort
Sleepboot Waterpoort
 
 

1970

In vier jaar tijd is er geen nieuwbouw gepleegd, nu is er dus de mogelijkheid om in te spelen op ontwikkelingen. Scheepswerf Amels krijgt de opdracht om een schip te bouwen met een rechthoekig ruim de “Scheldeborg”. Het eerste schip in een nieuwe generatie houtschepen. Ze wordt op 1 april 1970 aan de vloot toegevoegd.

Scheldeborg
Scheldeborg

In 1970 wordt Wagenborg Terminal b.v. opgericht. Deze B.V. neemt  kade en opslagruimte over om goederen te kunnen op- en overslaan. Door de introductie van steeds grotere schepen gaat het vervoer van “deur tot deur“ verloren. Voor de grotere schepen is het onmogelijk om soms diep in het binnenland aan de locatie van de leverancier af te meren.  Wagenborg wordt schakel tussen zee- en wegvervoer na het verwerven van opslagruimte.

 
 

1971

Een jaar later neemt Wagenborg het transportbedrijf Godlieb uit Farmsum over. Het transportbedrijf beschikt over vijf vrachtauto’s. Onder de naam Wagenborg Wegtransport b.v. beschikt dit bedrijf een jaar later over twintig trailers.

 
 

1974

Aan de nieuwe houtschepen “Scheldeborg” en “Rijnborg” wordt in 1974 de “Maasborg” toegevoegd die met haar 3500 ton een slag groter is. Het aantal “borgschepen” staat nu op dertien.

Maasborg
Maasborg
 
 

1980

In 1980 wordt er door scheepswerf Ferus Smit onderzoek gedaan naar de behoefte aan bepaalde scheepstypen. De uitkomst is een drogeladingcoaster met een lage kruiplijn en een tonnage van 1250 tot 1500 ton.

 
 

1982

In 1982 worden twee nieuwe schepen onder de Wagenborg-vlag gebracht, de “Polarborg” en de “Lindeborg”.

Lindeborg
Lindeborg
Polarborg
Polarborg
 
 

1986

In de jaren tachtig stoot Rijkswaterstaat de bootdiensten af in het kader van de privatisering. De logische overname kandidaat is Wagenborg. Op 1 januari 1986 vindt de overname plaats.  Er wordt een ontwerp gemaakt voor een nieuw generatie passagiersschepen. Als eerste werd het schip de “Sier” opgeleverd, de “Oerd” volgt een paar maanden later. Hun voorgangers, de rijksschepen “Prins Willen IV” en “Prinses Anna” krijgen na een renovatie de namen “Brakzand” en “Simonszand” en worden vervolgens aan de vloot toegevoegd.

Veerboot Brakzand
Veerboot Brakzand
 
 

1989

Op 2 januari 1989 wordt Reining Transport b.v. overgenomen.

 
 

1984 - 1986

In april 1984 neemt Koop Wagenborg  afscheid van zijn directiezetel. Hij wordt opgevolgd door Jan P. van Niejenhuis. In juni 1985 legt directievoorzitter Wim Vuursteen zijn functie neer. In augustus 1986 neemt vervolgens directeur Egbert L. Vuursteen afscheid van het rederijbedrijf. In 1985 doen Rob Wagenborg en Egbert Vuursteen hun intrede in het bedrijf. De één als directeur van Kramer Transport b.v. en de ander als commercieel manager van de scheepvaarttak.

 
 

1985

Op 30 augustus 1985 wordt Kramer Transport b.v. overgenomen. Het bedrijf beschikt over een indrukwekkend park vrachtauto’s, tankopleggers, kolkenzuigers, mobiele kranen en heeft een afdeling zwaar transport.

 
 

1988

In 1988 neemt Bert Wagenborg het besluit het bedrijf te verlaten, precies honderd jaar nadat opa Egbert met zijn eerste tjalk naar zee was gegaan. Op 15 december 1988 vindt er een directiewisseling plaats. Rob Wagenborg en Egbert Vuursteen worden benoemd tot directeur van Wagenborg Beheer b.v.

 
 

1990

Voor de uitbreiding van de scheepvaarttak wordt in 1990 een omvangrijk nieuwbouwprogramma gestart bestaande uit vier schepen van circa 3000 ton dwt met de hoogste Finse ijsklasse en geschikt voor het transport van volumineuze goederen. De schepen worden in de vaart gebracht onder de namen “Flinterborg”, “Balticborg”, “Eemsborg” en “Bothniaborg”. In 1991 komt hier de “Rijnborg” bij die vier maanden later wordt gevolgd door het zusterschip “Scheldeborg”. Het zestal wordt tevens uitgerust voor het vervoer van containers. Dit betekent de introductie van de containermaat TEU een afkorting  voor Twenty feet Equivalent Units, ofwel 20-voets containers.

 
 

1992 - 1995

In 1992 wordt Lommerts KSM (kranen, speciaal transport en montage) overgenomen. Het resultaat van deze overname is dat er nu zowel horizontaal als verticaal vervoer over land en water kon worden geboden. Een jaar later volgt er weer een overname, Van der Leest Kraanbedrijf te Emmen. In 1995 investeert Lommerts KSM in nieuw materieel. Het betreft een kraan met 400 ton hefvermogen. Daarnaast wordt een plateauwagen geïntroduceerd. Een reus van 23,5 x 3 meter met een laadvermogen van 365 ton, voortbewogen op in totaal 96 bestuurbare wielen. Korte tijd later wordt het kranenpark uitgebreid met vier spieringkranen.

 
 

1994

In 1994 introduceert Wagenborg container-feederschepen. De “Reestborg” en “Reggeborg” met een capaciteit van 558 TEU, zijn gebouwd bij Verolme in Heusden. De containerschepen onderscheiden zich door het ontbreken van luiken. Verticale rails vormen containergeleiders vanuit de ruimen tot boven de gangboorden. De voordelen zijn: sneller laden en lossen, geringe kans om containers te verliezen en een geringe kans op openbreken. De schepen zijn 140 meter lang en hebben aansluitingen voor 80 koelcontainers. Twee onafhankelijke dieselmotoren van 3250 kW elk leveren een dienstsnelheid van 18 mijl.

 
 

1995 - 1996

De ontwikkelingen in de sector wegtransport staan niet stil. De overname van Reining heeft een uitbreiding van de activiteiten in zuidelijke en oostelijke richting teweeg gebracht en dat maakt de aanwezigheid van vestigingen op die plaatsen noodzakelijk. Dit leidt op 1 maart 1995 tot de overname van Labie en Zn in Dongen.

In 1996 wordt Reining Spedition GmbH in het Duitse Bottrop aan de Reining Groep toegevoegd.

Tevens wordt in 1996 Reining Warehousing b.v. opgericht. Warehousing betekent dat leveranties worden opgeslagen tot ze in het productieproces nodig zijn.

 
 

1995

Door veranderingen in de scheepvaart, zoals schaalvergroting en de opmars van boegschroeven, lopen de sleepactiviteiten in de havens Delfzijl en Eemshaven terug. De aandacht wordt daarom nog meer gericht op activiteiten als sleepreizen. Mede om deze reden wordt op 1 april 1995 de nieuwe “Watergeus” aan de vloot toegevoegd. Haar twee motoren met een gezamenlijk vermogen van 1775 pk betekent ten opzichte van haar voorganger een verdubbeling van het vermogen en trekkracht.

 
 

1995

Op 15 september 1995 wordt bij scheepswerf Ferus Smit in Westerbroek, in aanwezigheid van Z.K.H. Prins Willem Alexander,  de “Kroonborg” gedoopt door Machteld Haaksman en Eva Muurman. De eerste en twee poging om de champagnefles op de boeg kapot te gooien mislukt. Met hulp van de prins spat de fles bij deze derde poging op het schip uiteen.

 
 

1996

Na de overname van Boardexport b.v. in 1995 en van Eems Dollard Scheepvaartkantoren in 1996 wordt dit nieuwe cluster van werkzaamheden ondergebracht bij Wagenborg Stevedoring b.v.  onder leiding van directeur Eric Wagenborg. Hiermee volgt hij een beroepslijn waarin zijn grootvader Petrus en zijn vader Koop hem zijn voorgegaan op het gebied van stuwadoring.

 
 

1997

In 1997 wordt de Wagenborgvlag geplant in Kazakhstan aan de Kaspische zee. Een consortium van zeven oliemaatschappijen doet onderzoek naar oliewinning in de Kaspische zee. Een gebied van ca. 300 km x 300 km waar slechts drie meter water staat en waar in de winter één meter dik ijs kan voorkomen. Wagenborg, met kennis op het gebied van de vaart op ondiep water, inclusief ijs in combinatie met logistieke kennis bij olie- en gaswinning wordt gevraagd om bij de bouw van een werkeiland te assisteren, een supply-strategie te ontwikkelen en specificaties voor benodigde materialen en schepen te leveren.

 
 

1998

In het jubileumjaar 1998 krijgt Wagenborg het predicaat Koninklijk.

 
 

2000

In 2000 wordt Foxdrill Van Wezel overgenomen door Wagenborg. De werkzaamheden van dit bedrijf concentreren zich op het verhuizen van boortorens.

 
 

2001 - 2004

In 2001 wordt Wagenborg Shipping Sweden opgericht.

In 2003 opent onze vestiging in Canada, Wagenborg Shipping North America Inc.

In 2004 gaat onze vestiging in Griekenland van start onder de naam Holland Hellenic Shipping Agencies

 
 

2009

Op 24 augustus 2009 doopt Koningin Beatrix "haar" schip het m.s. Beatrix tijdens Delfsail 2009.

 
 

2013

Op 25 januari 2013 vindt de tewaterlating plaats van het ms “Reestborg”. Het grootste schip ooit gebouwd bij Scheepswerf Ferus Smit in Leer. Het is een 23.000 ton multi-purpose schip met een lengte van 170 meter en breedte van 20,40 meter. Het is het eerste schip in een serie van drie die voorzien is van een zogenaamde eco-boeg. Deze serie schepen heeft een lage motorcapaciteit waardoor het een “groen” schip genoemd mag worden.

Op 11 juli 2013 wordt het contract met de NAM getekend voor de bouw en exploitatie van een zogenaamd Walk to Work schip.

Deel deze pagina